Pemphredon determinatie


In de tekst refereert ‘specimen’ aan het onderzochte Pemphredon exemplaar.

Het Pemphredon vrouwtje is op 2022/v/22 om 11:39 te Krimpen aan den IJssel in de tuin aangetroffen en gevangen voor foto identificatie, lengte ±7,5mm.

De informatie komt uit [SMISSEN 2003] [1] tenzij anders aangegeven.

1. lethifer vs rugifer groep

De soorten in de lethifer en rugifer groepen zijn de enige Pemphredon met een vijfde tand op het mandibel, welke ook in specimen aanwezig is.

De vrouwtjes uit de rugifer-groep kunnen van die uit de lethifer-groep onderscheiden worden obv de aanwezigheid van de volgende kenmerken [SMISSEN pag 79]:

  1. Een brede, glanzende pronotum bovenzijde (van boven bekeken)
    • Kenmerk lijkt aanwezig obv referentie foto’s maar niet goed te beoordelen (fig 1843)
  2. Krachtige op bulten staande doorns op vervormde buitenzijde achter tibia
    • Kenmerk aanwezig (fig 1137)
  3. Dorsaalveld ± even lang als scutellum, met rooster-achtige grove structuur
    • Kenmerk aanwezig (fig 1473)
  4. Duidelijke ladder-achtige structuur die omgrenzing in tweeën deelt
    • In de lethifer-groep is deze niet of onherkenbaar zwak ontwikkeld aanwezig, in de rufiger-groep is deze altijd duidelijk ontwikkeld aanwezig.
    • Kenmerk aanwezig (fig 1463)

Obv de aanwezigheid van deze gezamenlijke kenmerken is specimen een soort uit de rugifer-groep.

Daarnaast zijn er andere duidelijke verschillen tussen specimen en lethifer groep te zien weergegeven in tabel 1.

soortverschil
P. austriaca– heeft 4 tanden (specimen: 5 tanden; foto 885)
– mesosternum voor coxa 2 nagenoeg structuurloos, glanzend (specimen: met duidelijke structuur; foto 1535)
P. enslini– achterste ocellen liggen voorbij de bovenste oogrand (specimen: op lijn met bovenste oogrand; foto 251)
– de haren achterhoofd korter (specimen: lang; foto 257)
– antenne segmenten 3-4 minder dan twee keer lang als breed, daarna even lang als breed (specimen: 3-4 meer dan twee keer lang als breed, daarna langer dan breed; foto 49)
– pygidium zeer smal (specimen: smal/breed; foto 1653)
P. inornata– petiolus kort (specimen: lang; foto 332, 1096)
– mesosternum voor coxa 2 nagenoeg structuurloos, glanzend (specimen: met duidelijke structuur; foto 1535)
– tergieten en sternieten nagenoeg zonder punctering (specimen: T1+2 zeer fijn verspreid, daarna dichter en duidelijker; foto 467)
P. lethifer
(alle vormen)
– achter tibia zwak vervormd, met onopvallende doornen die niet op bult staan (specimen: opvallende doornen die op bulten staan, daardoor achter tibia vervormd; foto 1137)
– omgeving pygidiaalveld hoogstens fijn en verspreid gepuncteerd (specimen: grof, duidelijk, dicht; foto 466)
Tabel 1: verschillen tussen specimen en lethifer group soorten

2. rugifer-groep soort bepaling

Om een inzicht in de mogelijke soort te komen zijn de 3 rugifer-groep soorten uitgewerkt in tabel 3 om ze zodoende makkelijker te kunnen vergelijken.

Uit de tabel 3 ontstaat het beeld dat het specimen of mortifer of wesmaeli is, rugifer lijkt af te vallen op basis van te sterk afwijkende kop, mandibel, clypeus en propodeum kenmerken.

Het totaal aan kenmerken lijkt het meest aan te sluiten bij P. mortifer.

Een aantal kenmerken in tabel 3 geven verwarring omdat ze beschreven zijn met geïmpliceerde variatie en/of bij verschillende soorten horen, en door ontbrekend referentie materiaal niet goed te duiden zijn.

  • achterhoofd vorm
    De zijden zijn hier niet verder gebold dan ogen wat naar mortifer wijst, maar mogelijk dat dit ook in de variatie wesmaeli past, zoals door Smissen geïmpliceerd door het woord ‘vaak’. [LECLERCQ, 1972] [2] laat geen ruimte, wat dan wijst naar mortifer.

    Smissen geeft de achterhoofd verhoudingen voor elk van de drie soort obv de lengte tussen achterocellus en de kop achterrand, zie ook OCD definitie in [TSUNEKI, 1951] [5], de gemiddelden en gerapporteerde kortste lengten per soort zijn samengevat in tabel 2. rugifer heeft het meest ontwikkelde achterhoofd, mortifer het minst.
    Mbv fotografische meting (fig 2128) blijkt dat specimen achterhoofd ongeveer een lengte heeft van ±0,57 mm, wat past bij mortifer.
Soortgemiddelde lengte (mm)kortste lengte*
rugifer0,850,70 (21)
wesmaeli0,760,67 (18)
mortifer0,710,60 (20)
Tabel 2: kop proporties rugifer-groep
*omgerekend van de door Smissen gegeven waarden in maatstreepjes (weergegeven tussen haken), 30 maatstrepen is 1mm
  • clypeus vorm
    De beschrijvingen van het clypeus in de gebruikte publicaties lijkt beter te passen bij mortifer obv het genoemde tandje dat in het midden aanwezig kan zijn. Bij het specimen is de clypeus rand in de vlakke uitholling naar voren gericht wat onder bepaald aanzicht een ’tandje’ vormt (foto 19, 1358).
    Dit wordt niet genoemd bij wesmaeli, echter de door [LECLERCQ, 1972] [3] genoemde zeldzame brede en erg ondiepe vorm lijkt wel toepasbaar als het ’tandje’ hier geen rol speelt.

    De clypeus vorm wordt hier geïnterpreteerd als met een tand in het midden hebbend, wat past bij mortifer.
  • mandibel basaalveld, groef en dwarslijst
    Deze mandibel kenmerken worden door Smissen benadrukt als kenmerken waarmee de soorten onderscheiden kunnen worden. Het basaalveld ligt diep (foto 19, 421, 1433) en de groef is breed wat past bij mortifer, maar zonder goed referentie materiaal is wesmaeli niet uit te sluiten.
    De dwarslijst is conform de afbeelding in Smissen onderaan onderbroken door de mandibel onderrand (een niet onderbroken dwarslijst loopt over in de onderrand) wat naar mortifer wijst (foto 1428).
  • mandibel vorm slank of breed
    Zonder referentie materiaal is dit niet te bepalen.
  • bult tussen tand 4 en mandibel basis
    Ik interpreteer de aanwezige structuur als een bult, geen tand (fig 1670) wat past bij wesmaeli (en mogelijk rugifer).
  • tand 1 dorsaal verdikt
    Tand 1 lijkt nauwelijks verdikt. Deze gevalideerde wesmaeli waarneming geeft een forse verdikking weer conform de tekeningen in Smissen: https://observation.org/observation/198957578/

    Tand 1 wordt hier geïnterpreteerd als dorsaal niet verdikt wat past bij mortifer (en rugifer).
  • punctering mesonotum, scutellum
    De mesonotum punctering is rimpelig met punten die uit groeven bestaan rondom het midden, wat past bij wesmaeli maar wat soms ook in de andere 2 soorten kan voorkomen (zeldzaam).
    De scutellum punctering heeft grote tussenruimten wat alleen lijkt te passen bij mortifer.
  • punctering tergieten
    De tergieten zijn gepunteerd. T1 en T2 zeer fijn en verspreid, vanaf T3 duidelijker en grover met name aan de randen. Chagrinering is nauwelijks zichtbaar.
    Dit lijkt te passen bij zowel mortifer als wesmaeli (en te conflicteren met rugifer).
  • ongesplitste propodeum ribben overgang naar omgrenzing
    Het specimen heeft een mix van ongesplitste en 2 gesplitste ribben (foto 1337) wat past bij wesmaeli.
  • kerflinie lang
    De kerflinie lijkt in eerste instantie asymmetrisch, links lang, rechts kort. Echter vanuit het door Smissen beschreven schuine aanzicht lijkt mij ook de rechterkant duidelijk lang obv de doorlopende ribben. Dit past bij mortifer (en rugifer)
  • pygidium smal
    Op mij maakt het pygidium een brede indruk maar dit is zonder enig referentie materiaal te hebben gezien en alleen afgaand op de diverse tekeningen in de verschillende gebruikte publicaties.

    [WAGNER, 1931] [2] geeft aan dat de breedte van het pygidium bij P. mortifer smal is, iets smaller dan de breedte van de achter metatars. Bij P. wesmaeli is het pygidium iets breder dan de metatars.

    Pemphredon soorten waarvoor het pygidium als ‘breed’ worden geclassificeerd in de sleutel van Smissen zijn alleen P. fabricii en P. littoralis. In [WAGNER, 1931] [2] worden voor deze twee soorten de pygidium afmetingen in dezelfde verhoudingen gegeven als voor de soorten in de lugifer-groep:
    fabricii: iets breder dan achter metatars basis
    littoralis: ongeveer zo breed als achter metatars basis

    Deze twee soorten zijn echter uitgesloten obv de kenmerken zoals weergegeven in paragraaf 1.

    Bij het specimen is het pygidium (fig 1619, ±0,16mm achter apicale kiel) iets breder dan de achter metatars (fig 1627, ±0,14mm basis), wat past bij wesmaeli maar dit kan een variabel kenmerk zijn daar Smissen hier geen uitspraak over doet.

    Het pygidium wordt hier geïnterpreteerd als smal wat past bij alle drie de soorten.
  • pygidium zijden iets ingeknepen en divergerend
    De pygidium kiel is iets ingeknepen na zijn beginpunt (foto 1653) wat kan duiden op het ingesnoerde karakter bij rugifer. [WAGNER 1931] [2] geeft dit kenmerk ook voor mortifer.
    De randen van het pygidium divergeren iets naar boven (foto 1493, verhouding bovenrand : onderrand = ±1,4) wat past bij wesmaeli.

    Smissen zegt bij de kenmerken “normaal gesproken” wat mogelijke afwijkingen impliceert, [TSUNEKI, 1951] [5] geeft ook afwijkingen zij het wel in de context een ander leefgebied.

    De foto van dit kenmerk in rugifer in [Falk, Steven & Early, Jeremy, 2021] [4] is meer conform de sleutel tekeningen waarbij de insnoering over een grotere lengte plaatsvindt, wat hier niet het geval is.

    Deze gevalideerde wesmaeli waarneming heeft ook de inknijping vlak bij begin lijst: https://observation.org/observation/198957578/

    Het pygidium wordt hier geïnterpreteerd als niet ingesnoerd, maar het divergerende karakter is zonder referenties hier niet te beoordelen.
  • onderzijde dij achterpoot gechagrineerd
    In het specimen is de onderzijde van de achterpoot dij glanzend en gechagrineerd (foto 2107) wat past bij wesmaeli (en rugifer).
    Er zijn een heel klein aantal punten aanwezig tussen de setae openingen, maar wordt niet geïnterpreteerd als het fijn gepuncteerde karakter dat mortifer zou hebben.
kenmerkenspecimenfotomortiferrugiferwesmaeli
lengte±7,5mm5,5 – 9,9 mm8,0 – 11,3 mm7,9 – 10,2 mm
voorhoofd
– vorm
duidelijk ingevallen251nauwlijks ingevallenduidelijk ingevallenduidelijk ingevallen
voorhoofd
– punctering
zeer dicht, rimpelig257rimpelig gepuncteerd, in regel in oogboog en midden op schachthoogte duidelijke punten, daardoor glanzendoveral gerimpeld, ook in oogboog, midden op schachthoogte, matrimpelingen met meer kleine punten in oogboog, midden op schachthoogte meestal duidelijke punten, glanzend
achterhoofd
– vorm
ontwikkeld, zijden niet gebold251– kort, gelijkmatig gerond
– zijden niet verder gebold dan ogen, bijna rechthoekig, in kleine exemplaren naar achteren smaller wordend [LECLERQ, 1972] [3]
krachtig ontwikkeld, met rechte zijden– ontwikkeld, vaak gebold aan zijden
– zijden duidelijk verder gebold dan ogen [LECLERQ, 1972] [3]
achterhoofd
– beharing
lange en wat kortere witte haren257met korte witte beharing = lengte A5met lange witte beharing = lengte A3met lange witte beharing = lengte A3
clypeus
– vorm
vlak breed concaaf, van voren gezien met spits midden (tandje)19,
421,
1358,
1369
– meestal groot en dieper, mediaal vaak met tandje
– breder dan antenne implant, v.a. kwart cirkel diep of dieper, mediaal met tand of knobbeltje [LECLERCQ, 1972] [3]
– diep rond, smal
– even breed of breder dan scapus basis [LECLERCQ, 1972] [3]
– uitsnede zeer klein en vlak, kleiner dan voorste ocelle of bijna niet herkendbaar, zelden met tandjes
– smaller dan antenne implant en ondiep, als semi-crikel of heel erg klein als punt opening [LECLERCQ, 1972] [3]
– zelden breder dan antenne implant en heel erg ondiep [LECLERCQ, 1972] [3]
clypeus
– punctering
verspreid, geisoleerd, duidelijk1358,
1369
rondom zonder of geïsoleerd gepuncteerdononderbroken dicht gepuncteerdrondom gepuncteerd
mandibel
– vorm
breed1453smalbreed krachtigbreed krachtig
mandibel
– boven
uitpuilend gebogen593uitpuilend gebogennauwelijks uitpuilenduitpuilend gebogen
mandibel
– onder
uitpuilend gebogen593uitpuilend gebogenuitpuilend gebogen
mandibel
– basaal-veld
groot?, verdiept421,
1453
klein, verdieptgroot, vlakgroot
mandibel
– dwarslijst
duidelijk, onderbroken1428smal, onderbrokenvlak, onduidelijkduidelijk
mandibel
– groef
duidelijk, diep, breed1428breed, dieplijnstreekbreed driehoekig
mandibel
– tand 1 dorsaal verdikt
nauwelijks verdikt1428, 1453niet verdiktniet verdiktverdikt
mandibel
– tand 1 lengte
tand 1 iets langer dan tand 2 en 3885,
1428,
1453
korter dan rufiger en wesmaeli [LECLERCQ, 1972] [3]– steekt duidelijk voorbij tand 2 en 3
– tand 2 is lang en scherp {LECLERCQ, 1972]
[3]
mandibel
– tussen tand 4 en basis
bult, geen tand1670tand±bultbult
mandibel
– tand 5
duidelijk, steekt naar binnen885– klein
– steekt naar binnen, niet in lijn met de andere tanden [LECLERCQ, 1972] [3]
– groot
– staat in lijn met de andere tanden [LECLERCQ, 1972] [3]
– zeer krachtig
– bijna gelijke stand als mortifer [LECLERCQ, 1972] [3]
voorvleugel
– 2m-cu
antefurcaal258zie rugiferantefurcaal of interstitieelzie rugifer
voorvleugel
– 2rs-m
schuin258zie rugifermeestal loodrechtzie rugifer
voorvleugel
– media
gesteeld258zie rugiferkort gesteeldzie rugifer
mesonotum
– punctering
– verspreid
– grof
– mediaal grote gepolijste vlakken
– groefvormige punten rond midden
265zie rugifer
– verspreid scherp
– grof
– diep
– zwartglanzend
– scherp
– grof
– diep

– minstens in midden met 2-3 puntgrote tussenruimten
– zelden als mortifer
– vaak olieachtige glans door fijne chagrinering
– punten rond midden groefvormig in elkaar overlopend
– in de regel ongelijk gevormd, kratervormig en diep
– max in midden met puntvrije vlakken
scutellum
– punctering
vlak, fijn met vooral lengte rimpels348,
1473
– krachtig gewelfd
– zwartglanzend
– punten groot
– grote tussenruimten
– Krachtig gewelfd
– zwartglanzend
– met hoogstens 1-2 puntgrote tussenruimten
– hoogstens met puntgrote tussenruimten
metanotum
– punctering
grof, dicht1473
propodeum
– vorm
– dorsaalveld langer dan scutellum
– met 5 radiale ribben
348– dorsaalveld langer dan scutellum
– ‘schijf’ soms hellend
– zijden convergerend
– dorsaalveld langer dan scutellum
– bolvormig
– max zes radiale ribben
– dorsaalveld langer dan scutellum
– ‘schijf’ soms hellend
– lijkt op P. inornata en P.mortifer,
propodeum
– omgrenzing
gepolijst1462gepoliijst tot glanzendzijde glans tot mat door zeer fijne ribbelstructuurgepoliijst tot glanzend
propodeum
– omgrenzing structuur
breed, door knik richting ladder verteknd dunner lijkend1473ziet er smal uit, neemt richting ladderstructuur in breedte af, ± zo breed als metanotumsmal, golvendbreedste in rugifer groep, even breed als metanotum
propodeum
– ribben overgang in omgrenzing
2 gesplitst, rest ongesplitst1337ongesplitstaltijd gesplitstniet of weinig gesplitst
propodeum
– binnenhoek
aanwezig1473vaak aanwezignauwelijks met binnenhoekbijna altijd met binnenhoek
propodeum
– ladder-structuur
aanwezig, duidelijk1463– altijd
– vaak fijne ribben
altijd
– vaak vervormd
– altijd
– vaak bizar vervormd
propodeum
– kerflinie
lang1463vaak lang, niet neergedruktlangzeer kort en bijna niet neergedrukt
propodeum
– steungroef
groef smal, directe omgeving breed348meestal smalbreed?
propodeum
– luchtgat
in structuur verzonken1587uit structuur stekendin structuur verzonkenin structuur verzonken
petiolus
– bovenkant
gewelfd,
lengte ±2,8x breedte
332,
1096
Boven zeer vaak bijna vlak, 31:10
( lengte ~ ±3,1x breedte bij lichaamslengte ±7,5mm )
– boven gewelfd
– midden divergerend, naar abdomen convergerend
– l ~ ±2,5 – 3x b
l ~ ±2,5-3x b
petiolus
– punctering
grof332,
1096
duidelijk gepuncteerd tot gladdorsaal ±dicht gepuncteerddorsaal ±dicht gepuncteerd
tergieten
– punctering
T1+2 zeer fijn verspreid, daarna dichter en duidelijker467– duidelijk
– hoogstens relatief dicht en grof
– chagrinering T3-6 bijna niet merkbaar
– v.a. T2 hoogstens relatief fijn verspreid– dichter en grover
– hoogstens relatief dicht en grof
pygidium
– vorm
– smal (iets breder dan achter metatars, zie tekst 3.4. Pygidium)
– iets ingeknepen direct na kiel
– licht divergerend naar boven
1653,
1619,
1627
gewoonlijk:
– smal
(ongeveer smal als achter metatars [WAGNER 1931] [2als D. wesmaeli] )
– parallel zijdig
(distaal ingesnoerd [WAGNER 1931] [2als D. scoticus])
gewoonlijk:
– smal
(ongeveer smal als achter metatars [WAGNER 1931] [2als D. unicolor])
– distaal ingesnoerd
gewoonlijk:
– smal
(iets breder dan achter metatars [WAGNER 1931] [2als D. scoticus])
– meestal naar boven breder
(niet of nauwelijks ingesnoerd [WAGNER 1931] [2als D. scoticus])
pygidium
– rand
duidelijk, distaal met kiel1653– berand
zie rufiger
– berand
– gootvormig met scherpe rand, distale kiel [WAGNER 1931]
[2]
– berand
– zie rufiger
pygidium
– punctering
grote, vrij dichte punctering466,
1653
omgeving grof, dichtomgeving grof, dichtomgeving grof, dicht
achterpoot
– scheen
buitenzijde vervormd, duidelijke doorns op bulten1137zie rugifervervormd met krachtige op bulten staande doornsvervormd met krachtige op bulten staande doorns
achterpoot
– dij onderzijde
gechagrineerd2107glanzend, fijn gepuncteerdonderzijde gechagrineerdonderzijde gechagrineerd
voorpoot
– tars 1 beharing
met enkele lange haren886Bijna geen lange harenGelijkmatig behaardmet lange afstaande haren
Tabel 3: vergelijking kenmerken rugifer-groep soorten.
Kleurcodering:
groen – kenmerk lijkt goed te passen
oranje – kenmerk is afwijkend maar past mogelijk in variatie / interpretatie is onzeker
rood – kenmerk lijkt niet te passen

3. AFBEELDINGEN

Alle foto’s betreffen hetzelfde exemplaar. Verschillen in verkleuringen en uitdroging komen doordat er maanden tussen het opname tijdstip van sommige foto’s zit. Om de tanden van de kaak te kunnen identificeren is het exemplaar later in de tijd nogmaals gerelaxed en de rechter kaak opengesperd, wat mogelijk de indruk van verschillende exemplaren geeft.
Tijdens het fotograferen zijn er beschadigingen opgetreden aan het exemplaar waaronder het barsten van mesonotum en afbreken van rechter poten en antenne.

Foto’s zijn gesorteerd op nummer, de volgende kenmerken hebben een aparte sectie om vergelijk te vergemakkelijken:

overzicht
Fig 49: antenne segmenten langer dan breed
Fig. 251 achterhoofd vorm
Fig. 257: achterhoofd beharing
Fig 258: voorvleugel
Fig 265: mesonotum, scutellum
Fig 348: propodeum, scutellum
Fig 467: punctering tergieten
Fig 885: voorpoot tars 1 met lange haren
Fig 1137: achterpoot scheen
Fig 2107: achterpoot dij onderzijde gechagrineerd
Fig 1337: propodeum: gesplitste en ongesplitse overgang van ribben in omgrenzing
Fig 1462: omgrenzing glad, gepolijst
Fog 1463: propodeum; ladder-achtige structuur aanwezig, kerflinie (k) lang
Fig 1473: propodeum, scutellum, metanotum. Binnenhoek in omgrenzing aanwezig
Fig 1535: metapleuron + mesosternum
Fig 2128: lengte achter ocellus – achterrand kop

3.1. CLYPEUS

Fig 19: clypeus vorm, aanzicht van voren
Fig 1358: clypeus vorm + punctering
Fig 421: c;ypeus vorm, aanzicht meer van onder
Fig 1369: clypeus vorm + punctering

3.2. MANDIBEL

Fig 593: mandibel boven- en onderzijde uitpuilend gebogen
Fig 1670: tussen tand 4 en basis een bult
Fig 885: tand 5 aanwezig
Fig 1453a: dwarslijst onderbroken door onderkant mandibel
Fig 1453: mandibel
Fig 1843: pronotum breed

3.3. PETIOLUS

Fig 332: petiolus
Fig 1096: petiolus

3.4. PYGIDIUM

Fig 466: omgeving pygidium grove, vrij dichte punctering
Fig 553: pygidium distaal berand

Fig 1653: pygidium, randen: iets ingeknepen vlak onder begin kiel, licht divergerend naar boven
Fig 1619: breedte pygidium
Fig 1627: breedte achter metatars

Referenties

1 SMISSEN, Jvd. Zur Kenntnis der Untergattung Cemonus Jurine 1807 (Hymenoptera: Sphecidae, Pemphredon) mit Schlüssel zur Determination und Hinweis auf ein gemeinsames Merkmal untersuchter Schilfbewohner (Hymenoptera: Sphecidae, Pompilidae). Not Faun Gembloux, 2003, 52: 53-101.

2 WAGNER, A. C. W. Beitrag zur Kenntnis der Gattung Pemphredon Latr.(Hym., Crabr.). Deutsche Entomologische Zeitschrift, 1931, 1932: 213-233.

3 LECLERCQ, Jean. Données pour un atlas des hyménoptères de l’Europe occidentale: Pemphredon (Sphecidae) from Belgium and elsewhere. Bulletin des Recherches Agronomiques de Gembloux, 1970, 3-4.

4 Falk, Steven & Early, Jeremy. (2021). Pemphredon fabricii (Hymenoptera: Crabronidae) new to Britain. British Journal of Entomology & Natural History. 34. 23-33.

5 TSUNEKI, Katsuji. The Genus Pemphredon Latreille of Japan and the Adjacent Regions (Hymenoptera, Pemphredonidae)(With 19 Text-figures). 北海道大學理學部紀要, 1951, 10.2: 163-208.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.