Passaloecus corniger ♂︎

Laatst bijgewerkt: 10 juni 2022
SOORT: Passaloecus corniger
GENUS: PASSALOECUS
FAMILIE: CRABRONIDAE



WAARNEMING:
2022-VI-092021-VII-15

JAREN:
20212022

MAANDEN:
janfebmaaaprmeijunjulaugsepoktnovdec


Officiële naam:

Synoniemen:

Passaloecus corniger [1]

Pemphredon corniger (Shuckard 1932)


zie meer op: www.gbif.org

Etymologie:

corniger

Passaloecus corniger ♂︎

INHOUD

1. Verspreiding
2. Gedrag
3. Plant relaties
4. Prooi relaties
5. Parasitaire relaties
6. Herkenning

1. VERSPREIDING

Passaloecus corniger is een minder algemene wesp [2] die verspreid door heel Nederland voorkomt met uitzondering van de Wadden eilanden en in het westen schaarser [3].

2. GEDRAG

2.1. ACTIVITEIT

De soort is actief van eind mei tot begin september [3].

Nesten worden tussen juni en augustus aangelegd. Vaak twee generaties per jaar [5,17], waarbij de eerste generatie uit de juni nesten in augustus uitkomen [5,17].

2.2. ONTWIKKELING

Nest

De vrouwtjes knagen hun nestgangen in het merg van natuurlijke buisvormen zoals plantenstengels [3,4,13,17], maar ook in verlaten vraatgangen van insecten [3,4,13], bijvoorbeeld in de gang van het snuitkever genus Xylosandrus [7].

Ze heeft voorkeur voor nestgaten met een diameter van 1-3 mm [3,5,15,18] op een hoogte van 50 – 250cm [15]. Bestaande holtes kunnen verder worden uitgebouwd [15]. Meestal zijn passaloecus nesten onvertakt [4,21] waarbij de cellen achter elkaar liggen. De afsluiting van de achterliggende cell vormt de achterkant van de volgende cell [21]. Bij uitzondering zijn er lege cellen tussen de gevulde cellen geplaatst [21]. Eén of meer cellen voor de afsluiting van het nest kunnen leeg zijn [21]. Zie ook nest architectuur.
De schotten tussen de cellen en de afdichting van het nest worden gemaakt uit lichte of donkere hars [3,4,5,15,18,21] van dennenbomen [15]. In de nestafsluiting kunnen plantenresten of uitwerpselen worden verwerkt [15,18], mede voor camouflage [15].

Sommige vrouwtjes bouwen gelijktijdig twee of meer nesten [15]. Nesten van vorige seizoenen kunnen worden hergebruikt en wordt voor ingebruikname schoon gemaakt [15].

In algemene zin geldt voor Passaloecus dat nestcellen gevuld kunnen worden met 6-60 prooidieren [4].

Ei

Passaloecus eieren zijn wittig en worstvormig [21]. Het ei wordt meestal op de onderzijde of zijde van de prooi gepositioneerd [4,21]. De positie van het de prooi met het ei in het nest is variabel [4,21].

2.3. BIJENHOTEL

De soort maakt graag gebruik van bijenhotels [17,18] om in te nestelen.

Zover ik weet hebben er nog geen vrouwtjes in de bijenhotels in de tuin genesteld, mogelijk doordat de kleinste diameter van de geboorde nestgangen 3mm is.

2.4. PARING

De soort kent baltsgedrag [5,18] voor aanvang van paring waarbij het mannetje het vrouwtje in de stemming krijgt voor de paring. De complete paring inclusief baltsen kan zo’n 30minuten of langer innemen [5]. Voor een uitvoerige beschrijving zie [BLÖSCH] [5] en [BREUGEL] [18].

2.5. JACHT

Gevangen prooien lijken niet gestoken te worden [15] maar verlamd door met de kaken in de nek regio te bijten [13,16]. Uit analyse blijkt dat het gif van Passaloecus geen paralyserend effect veroorzaakt [16].

P. corniger lijkt vooral prooi te stelen van soortgenoten, andere Passaloecus soorten [3,9,12,13] en soms van het Crabronidae geslacht Psenulus [5,18], P. fuscipennis [18], en Pemphredon, P. lugens [18].

Uit een uitvoerige set aaneengesloten waarnemingen [15] blijkt dat P. corniger al haar prooidieren stal van andere Passaloecus soorten, t.w. P. gracilis en P. insignis. Deze hadden geen moeite om in een straal van van 15m van de nestlocaties een aanvoersnelheid van één tot enkele minuten per prooidier te bereiken. Prooidieren leken daarmee voldoende voorhanden. Toch werd niet waargenomen dat P. corniger zelf op jacht ging, en werden alle prooidieren gestolen uit de nesten van de andere Passaloecus soorten, waaronder ook P. corniger, in de directe omgeving op zo’n 10-20cm het eigen nest.
Andere waarnemers hebben dit steel gedrag niet kunnen waarnemen [17] een mogelijke verklaring is dat het alleen opportuun is bij een dichte bezetting van soorten rond de nestlocatie [12].

Doordat de nesten waaruit geroofd werd dichtbij het eigen nest lagen kon de dief een hoge aanvoersnelheid bereiken, mede doordat soms twee prooien per keer werden vervoerd. De aanvoersnelheid was soms zo hoog dat het geroofde nest werd verlaten door de eigenaar [15].

Tevens kan de larve uit het geroofde nest verwijderd worden door de dief [15].

Nesten waaruit geroofd werd waren tot maximaal drie dagen daarvoor afgesloten door de eigenaar [15].

Normaal gesproken wacht de dief tot de eigenaar het nest heeft verlaten maar soms kan er sprake zijn van een vergissing en is de eigenaar nog aanwezig bij het betreden van het nest, of komt deze terug tijdens het roven. Hierbij kan het tot gevechten met de eigenaar of andere dieven komen waarbij de dief de tegenstander zal proberen te steken met de angel [15].

3. PLANT RELATIES

3.1. HOUTSOORTEN

In de literatuur worden de volgende houtsoorten genoemd als medium waarin de wesp haar nest maakt:

Adoxaceae
(Muskuskruidfamilie)

Sambucus (Vlier) [4]
Anacardiaceae
(Pruikenboomfamilie)

Rhus (Sumak) [4]
Betulaceae
(berkenfamilie)

Alnus
Alnus incana (Witte els) [6]

Corylus
Corylus avellana (Hazelaar) [6]
Caprifoliaceae
(Kamperfoeliefamilie)

Symphoricarpos (Koraalbes) [4]
Celastraceae
(Kardinaalsmutsfamilie)

Euonymus (Kardinaalsmuts) [4]
Cornaceae [4]
(Kornoeljefamilie)

Cornus [4]
Fagaceae
(Napjesdragersfamilie)

Fagus
Fagus sylvatica (Beuk) [6]
( in boorgaten van Ptilinus pectinicornis (Gekamde houtwormkever) )

Quercus (Eik) [4]
Quercus robur (Zomereik) [6]
Pinaceae
(Dennenfamilie)

Cedrus (Ceder) [4]

Picea
Picea abies (Fijnspar) [6]
Poaceae 
(Grassenfamilie) [4]

Arundo [4]

bamboe [4]
Rosaceae
(Rozenfamilie)

Rosa (Roos) [15]

Rubus (Braam) [17]
Sapindaceae
(Zeepboomfamilie)

Acer
Acer pseudoplatanus (Gewone esdoorn) [7]
(in boorgaten van Xylosandrus (Coleoptera, Curculionidae))

Ook worden nesten gemaakt in dennenbast, verrot hout en in oud timmerhout en balken [12]. Daarnaast worden ook gallen gebruikt [3,4], van het Chloropidae (Halmvliegen) geslacht Lipara [5,17 op Phragmites]

De soort verzamelt de hars die gebruikt wordt in de nest constructie van dennebomen. De volgende boom soorten worden in de literatuur genoemd:

Pinaceae
(Dennenfamilie)

Pinus
Pinus nigra (Zwarte den) [15]
Pinus sylvestris (Grove den) [15]

3.2. VOEDSELPLANTEN

In de literatuur worden de volgende planten soorten en groepen genoemd:

Apiaceae [19]
(Schermbloemenfamilie)
Asteraceae [5]
(Composietenfamilie)

Cirsium (Vederdistel)
Cirsium arvense (Akkerdistel) [5,17]

Solidago (Guldenroede) [5,8,17]
Crassulaceae
(Vetplantenfamilie)

Sedum (Vetkruid) [5,8,17]

De mannelijke wespen likken ook honingdauw op van bladeren [15]. Mogelijk voeden de vrouwtjes zich met luizen [15].

Tuinsoorten

In de tuin staan diverse van deze voedselplanten maar ik heb de soort daarop nog niet foeragerend waargenomen.

Apiaceae
(Schermbloemenfamilie)

Foeniculum
Foeniculum vulgare (Venkel)

Pastinaca
Pastinaca sativa (Pastinaak)
Asteraceae
(Composietenfamilie)

Solidago (Guldenroede)
Crassulaceae
(Vetplantenfamilie)

Sedum (Vetkruid)

4. PROOI RELATIES

De soort gebruikt nimfen en volwassen [13] bladluizen (Aphidoidea) voor haar broed [3,5,9,12].


In de literatuur worden de volgende in Nederland [1] voorkomende soorten genoemd:

Aphidoidea (Bladluizen) [3,9,12]

5. PARASITAIRE RELATIES

In de literatuur worden de volgende in Nederland [1] voorkomende soorten genoemd:

Chalcidoidae
(Bronswespen)

Eurytomidae

Eurytoma
Eurytoma nodularis [3,17]
Chrysididae
(Goudwespen)

Omalus (Kogelgoudwespen)*
– Omalus auratus [17,20]
Omalus aeneus [3,5,17,20]
Omalus puncticollis [5]

Trichrysis (Drietandgoudwespen)
Trichrysis cyanea [3]

Pseudomalus (Kogelgoudwespen)*
Pseudomalus auratus [13]
➡︎ broed idiobionte ectoparasitoïde (voedselvoorraad en larve) [14]
Pseudomalus violaceus [13,20]
Ichneumonidae
(Sluipwespen)

Poemenia
Poemenia collaris [3,17]
Poemenia notata [3,17]
*goudwesp vrouwtje gaat nest niet in, maar parasiteert levende bladluis die daarna door P. corniger wordt gevangen [20]

6. HERKENNING

Lengte mannetjes: 7,5 – 10 mm
Lengte vrouwtjes: 10 – 11,5 mm

Genus

Het genus Passaloecus is te herkennen aan:

1.  Voorvleugel: met twee submarginaal cellen [9,10,11]

Passaloecus corniger ♂︎, Passaloecus: voorvleugel met twee submarginaal cellen

2. Voorvleugel: met twee discoïdaal cellen [9,10,11]

Passaloecus corniger ♂︎, Passaloecus: voorvleugel met twee cubitaal cellen

3. Voorvleugel: tweede submarginaal cel niet gesteeld [9,10,11]

Passaloecus corniger ♂︎, Passaloecus: tweede submarginaal cel niet gesteeld

4. Voorvleugel: marginaal cel gespitst [9,10,11]

Passaloecus corniger ♂︎, Passaloecus: marginaal cel spits

5. Voorvleugel: stigma aanzienlijk kleiner dan marginaal cel [9,10,11]

Passaloecus corniger ♂︎, Passaloecus: stigma (S) aanzienlijk kleiner dan marginaal cel (M)

6. Kop: binnenrand ogen parallel [10,11]

Passaloecus corniger ♂︎, binnenrand ogen parallel

7. Kop: clypeus zonder zijlobben [10,11]

Passaloecus corniger ♂︎, passaloecus: clypeus zonder zijlobben

8. Mesopleuron: glad of zeer fijn gepuncteerd [9,10,11]
9. Mesopleuron: met één of twee horizontale punt rijen [9,10,11] (hier twee)
[JACOBS] noemt dit hypersternaulus (H) en mesopleuraulus (M) [10]
[DOLFUSS] [11] en [BOHART & MENKE] noemen de scrobal sulcus ipv mesopleuraulus [11]

Passaloecus corniger ♂︎, Passaloecus: mesopleuron met één of twee horizontale punten rijen (hier twee)

10. Borststuk: pronotum niet verlengd, achterrand bereikt tegula niet [10,11]

11. Borststuk: notauli bereiken achterrand mesonotum niet [9,10,11]

Passaloecus corniger ♂︎, passaloecus: notauli bereiken achterrand mesonotum niet

12. Borststuk: scheen achterpoot zonder doorns aan buitenzijde [9,10,11]

Passaloecus corniger ♂︎, passaloecus: buitenkant achterscheen zonder doornen

13. Achterlijf: achterlijf zwart [9,10,11]

Passaloecus corniger ♂︎, passaloecus: achterlijf zwart

14. Achterlijf: vrouwtje zonder pygidium [9,10,11]




1. Antenne met 12 segmenten [9,10,11]

2. Achterlijf met 6 segmenten [9,10,11]

3. Tergiet 6 zonder pygidium [9,10,11]

4. Sterniet 7 zonder stekelvormige punt [10]

KOP

1. Voorhoofd met bult tussen antenne [9,10,11], zo lang als breedte derde antenne lid [9,11]

2. Clypeus: voorrand met drie tandjes [9,10,11]

3. Clypeus: dicht zilver behaard [9,10,11]

4. Clypeus: even breed als lip [11]

5. Lip afgerond [9,10], niet hartvormig [11]

BORSTSTUK

1. Zijde borststuk (mesopleuron): met twee duidelijke horizontale puntenrijen [9,10,11]

2. Zijde borststuk (mesopleuron): duidelijk gepuncteerd [9,10,11]

3. Zijde borststuk (mesopleuron): verticale puntenrij bestaat uit één rij punten [9,10,11]

ACHTERLIJF



exemplaar voor foto identificatie gevangen op 15-vii-2021, lengte ±6mm

exemplaar 2 voor foto identificatie gevangen op 9-vi-2022, lengte ±6mm

Passaloecus corniger ♂︎
Passaloecus corniger ♂︎
Passaloecus corniger ♂︎
Passaloecus corniger ♂︎ (exemplaar 2)
Passaloecus corniger ♂︎
Passaloecus corniger ♂︎

  1. Antenne met 13 segmenten [9,10,11]
Passaloecus corniger ♂︎, antenne met 13 segmenten

2. Achterlijf met 7 segmenten [9,10,11]

Passaloecus corniger ♂︎, achterlijf met zeven segmenten

3. Clypeus dicht zilver behaard [9,10,11]

Passaloecus corniger ♂︎

4. Tergiet 6 zonder pygidium [9,10,11]

5. Laatste sterniet met stekelvormige punt [10]

Passaloecus corniger ♂︎, punt laatste sterniet stekelvormig

KOP

2. Antenne: segmenten 8-12 apicaal afgeschuind [10,11]

Passaloecus corniger ♂︎, segmenten 8-12 apicaal afgeschuind

3. Antenne: segmenten 8-12 met tyloïden [9,10,11]

Passaloecus corniger ♂︎, segmenten 8-12 met tyloïden

4. Antenne: onderzijde apicale segmenten zwart [9,10,11]

Passaloecus corniger ♂︎, onderzijde apicale segmenten zwart

5. Kop: duidelijke doorn tussen de antennen [9,10,11] met lengte bijna gelijk aan breedte antenne segment 3 [9,11]

Passaloecus corniger ♂︎, voorhoofd met duidelijke doorn tussen antennen met lengte bijna gelijk aan breedte antenne segment 3

BORSTSTUK

  1. Zijde borststuk (mesopleuron): met dubbele horizontale rij putjes, hypersternaulus (H) en mesopleuraulus (M)
    [DOLLFUSS] noemt scrobal sulcus ipv mesopleuraulus.
Passaloecus corniger ♂︎, mesopleuron met twee horizontale punten rijen

2. Zijde borststuk (mesopleuron): met enkelvoudige verticale rij putjes (episternal sulcus) [10,11]

Passaloecus corniger ♂︎, mesopleuron met enkelvoudige verticale rij putjes

2. Zijde borststuk (mesopleuron): zeer fijn gepuncteerd, zonder of met zwak ontwikkelde microsculptuur [9,10,11]

Passaloecus corniger ♂︎, mesopleuron duidelijk gepuncteerd zonder of met zwak ontwikkelde microsculptuur

ACHTERLIJF



Referenties

1 Nederlands Soortenregister

2 Waarneming.nl

3 Peeters, T.M.J., C. van Achterberg, W.R.B. Heitmans, W.F. Klein, V. Lefeber, A.J. van Loon, A.A. Mabelis, H. Nieuwen-huijsen, M. Reemer, J. de Rond, J. Smit, H.H.W. Velthuis, 2004. De wespen en mieren van Nederland (Hymenoptera: Aculeata). – Nederlandse Fauna 6. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, Leiden, knnv Uitgeverij, Utrecht & European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden.

4 BOHART, Richard M.; BOHART, Richard Mitchell; MENKE, Arnold S. Sphecid wasps of the world: a generic revision. Univ of California Press, 1976.

5 Koch, F. (2002), Blösch, M. (2000). Die Grabwespen Deutschlands – Lebens‐weise, Verhalten, Verbreitung. 71. Teil. In Dahl, F.: Die Tierwelt Deutschlands. Begr.: 1925. – Keltern (Goecke & Evers). – 480 S. 341 Farbfotos. ISBN 3‐931374‐26‐2 (hardcover). DM 98,–. Zool. Reihe, 78: 353-353. https://doi.org/10.1002/mmnz.20020780208

6 KOFLER, Alois. Weitere Funde von Grabwespen in Osttirol (Osterreich)(Hymenoptera: Sphecidae). BERICHTE-NATURWISSENSCHAFTLICH MEDIZINISCHEN VEREINS IN INNSBRUCK, 2005, 92: 161.

7 SCHULZE, Ernst Detlef, et al. Springtime bark-splitting of Acer pseudoplatanus in Germany. Forests, 2019, 10.12: 1106.

8 DOROW, WHO. 3.7 Hymenoptera: Aculeata (Stechimmen). Schönbuche. Zoologische Unter suchungen, 1990, 1992: 127-264.

9 KLEIN, Wim. De graafwespen van de Benelux. Jeugdbondsuitgeverij, Utrecht, 1996, 1-130. + KLEIN, Wim. De graafwespen van de Benelux: supplement. Jeugdbondsuitgeverij, 1999.

10 JACOBS, H. J (2007): Die Grabwespen Deutschlands Ampulicidae. Sphecidae, Crabronidae–Bestimmungsschlüssel in Blank, SM & Taeger, A (Hrsg): Die Tierwelt Deutschlands und der angrenzenden Meeresteile nach ihren Merkmalen und nach ihrer Lebensweise, Hymenoptera III–Keltern, Goecke & Evers, 79: 1-207.

11 Hermann Dollfuss, "Bestimmungsschlüssel der Grabwespen Nord- und Zentraleuropas (Hymenoptera, Sphecidae) mit speziellen Angaben zur Grabwespenfauna Österreichs", Publikation der Botanischen Arbeitsgemeinschaft am O.Ö.Landesmuseum Linz, LINZ, 20. Dezember 1991

12 LOMHOLDT, O. 1975-1976; 1984 (2. Auflage). The Sphecidae (Hymenoptera) of Fennoscandia and Denmark. Fauna Entomologica Scandinavica, 4.1: 2.

13 LELEJ, Arkady (ed.). Wasp fauna (Hymenoptera: Bethylidae, Chrysididae, Dryinidae, Tiphiidae, Mutillidae, Scoliidae, Pompilidae, Vespidae, Sphecidae, Crabronidae & Trigonalyidae) of Mordovia State Nature Reserve and its surroundings in Russia. Journal of Threatened Taxa, 2019, 11.2: 13195-13250.

14 TSUNEKI, Katsuji. Ethological studies on the Japanese species of Pemphredon (Hymenoptera, Sphecidae), with notes on their parasites, Ellampus spp.(Hym., Chrysididae)(With 5 Text-figures). 北海道大學理學部紀要, 1952, 11.1: 57-75.

15 Corbet, Sarah & BACKHOUSE, M.. (2009). Aphid-hunting wasps: a field study of Passaloecus. Ecological Entomology - ECOL ENTOMOL. 127. 11-30. 10.1111/j.1365-2311.1975.tb00549.x.

16 PIEK, Tom (ed.). Venoms of the Hymenoptera: biochemical, pharmacological and behavioural aspects. Elsevier, 2013.

17 WOYDAK, Horst. Hymenoptera Aculeata Westfalica Familia: Sphecidae (Grabwespen), 1996, 3-135.

18 Breugel, P. van 2014. Gasten van bijenhotels. – EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden & Naturalis Biodiversity Center, Leiden.

19 HÜSING, J. O. Zur Verbreitung, Biologie und Ökologie der Grabwespen (Hym. Sphec.) in der näheren Umgebung von Halle/S. mit speziellen Bemerkungen über Mellinus arvensis L. Hercynia-Ökologie und Umwelt in Mitteleuropa, 1964, 1.3: 186-206.

20 PAUKKUNEN, Juho, et al. An illustrated key to the cuckoo wasps (Hymenoptera, Chrysididae) of the Nordic and Baltic countries, with description of a new species. ZooKeys, 2015, 548: 1.

21 VINCENT, David Lowell. A revision of the genus Passaloecus (Hymenoptera: Sphecidae) in America North of Mexico. Wasmann Journal of Biology, 1978.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.